Hoe laat je het grote publiek kennismaken met wetenschap en techniek?

dinsdag 7 april 2020

Nietwetenschap


Bouwhek met spandoek CORONA-MAATREGELEN BOUWPLAATS, pictogrammen met tekst: koorts = niet werken / verkouden = niet werken / 1,5 meter asftand houden / schud geen handen / hoest of nies in binnenkant van je elleboog / deel geen gereedschap met collega’s / was je handen regelmatig / ook in de schaftkeet geldt 1,5 meter afstand, bij voorkeur eten in auto /  max. 2 personen in lift


In de afgelopen tien jaar heb ik honderden kinderen op de #basisschool enthousiast proberen te maken voor #wetenschap. In de naschoolse cursus doen ze scheikundeproefjes, maken ze dingen met elektriciteit,  onderzoeken ze fossielen, ontdekken van alles over het menselijk lichaam en nog veel meer. Voordat we daarmee aan de slag gaan bespreek ik meestal eerst wat wetenschap eigenlijk is, waar wetenschap vandaan komt. En voor mij is dat nieuwsgierigheid, willen weten hoe iets in elkaar steekt, hoe dingen werken.

In de les gebruik ik een voorbeeld. Stel het is zomer, maar het regent. Het komt met bakken uit de lucht. Je bent op vakantie. Wat denk je dan? Je zit je te vervelen in je tentje of in je caravan en je denkt al gauw: wat een pestweer.

Een boer beleeft hetzelfde weer heel anders. Gelukkig is er regen. Het komt helemaal goed met de bieten en de sla. Wat een heerlijk weer.

Tenslotte de wetenschapper. Hij of zij ziet de regen en vraagt zich af: waar komt al dat water vandaan? Raakt het ooit op? Hoe werkt regen? Hoe werkt het weer? Waar komen wolken vandaan?

Sommige kinderen snappen het: wie je bent en wat je doet, bepaalt hoe je ergens tegenaan kijkt. Voor de vakantieganger bederft de regen het plezier, voor de boer bepaalt het zijn succes, voor de wetenschapper is het een bron van interessante vragen.

Voor andere, vooral jongere, kinderen is de boodschap te abstract. Ze beginnen meteen ongevraagd hun kennis over regen en wolken te spuien: de zon laat het water verdampen, meester! Dat ik iets wil uitleggen over verschillende manieren van kijken, gaat langs hen heen.

Het echte wetenschappelijk bedrijf is natuurlijk veel complexer dan alleen doorgeschoten nieuwsgierigheid. Wetenschappers stellen zich niet alleen vragen, maar proberen ze vooral te beantwoorden. Ze lezen werk van hun voorgangers en collega’s. Ze doen onderzoek. Dingen bestuderen, experimenten doen, berekeningen uitvoeren en theorieën bedenken. Publicaties schrijven en discussies voeren. Beleidsmakers adviseren en het grote publiek informeren. Het wetenschappelijk bedrijf is ook zeker niet gebouwd op nieuwsgierigheid alleen. Maatschappelijke relevantie, verwachte economische waarde, ethische overwegingen, kostprijs van het onderzoek, politiek getouwtrek, nationale trots en zelfs een enkele opgeklopte #hype spelen een rol. Wetenschap is ook een zeer sociaal fenomeen. Wetenschap kan niet floreren zonder sterke, vaak wereldwijde samenwerkingsverbanden.

Toch blijft de kern overeind: #nieuwsgierigheid. Het woord wetenschap suggereert dat wetenschappers zich bezig houden met wat we weten. Maar dat is gek genoeg niet zo. Het onderwerp van het wetenschappelijk onderzoek is wat we niet weten. Elke dag staan miljoenen onderzoekers over de hele wereld op om naar hun lab, hun computer of hun schuilhut in de jungle te gaan. Ze doen dat om iets te ontdekken of op te helderen wat we nog niet weten. Over veel onderwerpen is een hoop bekend, maar dan is het de kunst om de juiste vragen te bedenken – wat weten we nog niet? – en daar onderzoek naar te doen.

Het is als een huis in aanbouw. De onderzoekers dragen stenen aan en metselen ze op hun plek. Eigenlijk is de wetenschap niet als één huis, maar als een stad, een gigantische metropool met huizen, paleizen, theaters en fabrieken. Die bouwwerken staan niet los, maar zijn verbonden via wegen, kabels en buizen. Het is één geheel. De wetenschappers zijn de architecten en de bouwvakkers. Ze knappen hier en daar een gevel op, bouwen een extra verdieping op een oud kantoorpand, graven kelders en tunnels of stampen hele nieuwe wijken uit de grond. Een ding is duidelijk: ze zijn altijd aan het werk op plekken waar het niet af is. En zodra het wel af is, vertrekken ze naar een andere plek, in het volste vertrouwen dat ze ook die klus zullen klaren.

De zoektocht van de onderzoeker naar het onbekende staat soms haaks op de zoektocht van ieder mens naar zekerheid, naar houvast. Het voorbeeld van de vakantieganger, de boer en de wetenschapper had in deze tijd van #coronacrisis heel goed vervangen kunnen worden door de nagelstylist, de #burgemeester en de #viroloog. De viroloog onderzoekt het virus, dat wil dus zeggen alle aspecten van het virus die we nog niet kennen. De viroloog wil leren. De burgemeester wil weten of zij dranghekken moet laten aanrukken en de parken moet sluiten. De burgemeester wil controle. De nagelstylist vraagt zich af of ze nog een toekomst heeft in haar vak en of het ooit weer gezellig wordt in haar zaak. Ze wil leven. Ieder bekijkt de crisis vanuit zijn of haar eigen perspectief.

En natuurlijk overlapt dat. We zijn allemaal een beetje toerist, boer en wetenschapper. We weten allemaal iets van virussen, openbare orde en nagels. We willen allemaal leven, een beetje leren en een beetje controle.

Ik sprak laatst een kennis die bijna haar huis niet meer uit durfde. Ze geloofde niet in de anderhalve meter social distancing. De angst zat diep. Na doorvragen bleek dat een opmerking van een viroloog in een televisieprogramma daar veel aan had bijgedragen. Het ging over de besmettelijkheid van het virus en mogelijke rol van kinderen daarin. Hij zei iets als ‘We weten niet hoe het virus zich gedraagt’. Van het heldere en uitgebreide verhaal van de viroloog bleef die ene uitspraak hangen. Als je niet weet hoe de vijand zich gedraagt, hoe kun je je verdedigen? Waarom is anderhalve meter veilig als je niets weet over het gedrag van het virus?

Het is terug te voeren op verschil in perspectief. De viroloog weet dat we heel erg veel wel weten. Hij weet dat je het woord gedrag hier niet letterlijk moet nemen. Een virus is geen kat die opeens rare sprongen maakt die niemand had zien aankomen. We weten wat virussen zijn, we kennen de coronavirusfamilie, we kennen de genetica ervan en hoe die kan muteren. We weten dat het #SARS-CoV-2 virus voorouders  heeft in een bepaalde vleermuissoort. We weten hoe het virus de cellen in ons lichaam binnendringt en welke cellen daar het meest gevoelig voor zijn. We weten heel erg veel over ons immuunsysteem en over ontstekingsreacties. We kunnen virussen en antistoffen aantonen in speeksel, bloed en ontlasting. We weten hoe hoestdruppeltjes zich verspreiden. We kennen met enige nauwkeurigheid de incubatietijd en de variatie in ziekteverloop.  We kunnen meten hoeveel virsusdeeltjes nog door een mondkapje kunnen dringen. Maar de focus van de onderzoeker ligt op wat we niet weten. Wat is de rol van vetcellen bij deze ziekte? Hoe dragen kinderen bij aan de besmetting? Wanneer de onderzoeker zegt: we weten niet hoe het virus zich gedraagt, betekent dat niet dat hij met zijn handen in het haar zit omdat we geen idee hebben wat ons overkomt. Het betekent dat hij precies weet wat hij wil onderzoeken en hoe. Vanuit de wetenschap gezien is het halve werk daarmee al gedaan.

Het is als de bouwvakker die komt kijken naar het gat in het dak boven de babykamer: ik zie het al mevrouw, die hele balk is rot! De thuiswerkende leek schrikt zich een hoedje. Ook dat nog! De angst slaat toe. Maar de vakman weet al hoe hij het gaat aanpakken: welke balk hij waar gaat halen, welke gereedschappen hij nodig heeft en hoe hij de zaak netjes en waterdicht zal opleveren. Het vinden van de rotte balk was al het halve werk. Het perspectief is verschillend.

Zo ook met de viroloog. Het ‘gedrag’ van het virus is onderwerp van onderzoek. De resultaten komen over enkele weken binnen en dan weten we meer.

1 opmerking: